Proloog
De Laatste Handtekening
Toen opa stopte met lopen was de entree naar de woonkamer al binnen handbereik. Hij greep met de ene hand naar zijn borst en graaide met de andere naar de deurpost. De jonge vrouw die bij hem was fronste haar wenkbrauwen toen ze hem zo zag, schrok toen het besef kwam en stapte snel langs hem heen om ondersteuning te bieden. ‘Rustig nou, opa. We gaan even rustig zitten.’
Haar stem was hoog van ingehouden spanning maar ze wist redelijk kalm te blijven. Opa kreunde, korte stoten van pijn en de jongedame stond toe hoe hij met ijzeren discipline een stap richting de zware eikenhouten deur zette. Dat was kenmerkend, hij was een koppige doorzetter die zijn leven lang gezond had geleefd. Toch zakte hij door een knie, een oude knie die pijnlijk hard op de 18e-eeuwse tegels bonkte. ‘Opa, kom op!’ Ze trok aan zijn schouder, maar raakte onzeker over welke stap ze moest nemen. Ze staarde naar zijn achterhoofd, de dunne witte haren over zijn huid. Toch nam ze een besluit. ‘Wacht...! Ik ga een ambulance bellen.’ Ze hielp haar opa zachtjes naar de vloer. ‘Probeer even op adem te komen, het gaat vast zo over.’
Maar opa wist beter. Hij besefte heel goed wat er gebeurde; zijn bestaan was ineens vloeibaar geworden terwijl zijn realiteit een trechter werd, dag voor dag, jaar voor jaar. Het was zijn eigen theorie en hij had het jarenlang geroepen; ouder worden was een onvermijdelijke versmalling van potentie, een groeiende beperking van mogelijkheden hier op aarde. Al zijn herinneringen, emoties en ervaringen begonnen weg te glippen door de smalle opening van de trechter. Er wás geen extra tijd. Hij vocht terug voor de laatste akte. ‘Nee…!’ Zijn stem klonk zwak. Sabrina stond op om naar het kantoor te lopen waar de huistelefoon altijd stond. Nu klonk zijn stem duidelijk, helder, autoritair. ‘Nee… Sabrina. Ik wil het niet! Lieverd…’ Hun ogen maakten verbinding en het complot was besloten. ‘Geef me een pen, en ook de papieren.’ Kleindochter liet opa los, haar opa, haar steun, haar wijze uil en ze keek naar hem, zwaar hijgend en grimassend met een hand op de rode tegels. Een reutelende ademhaling. Ze voelde zijn noodzaak en kwam in actie. Sabrina holde door de woonkamer naar het atelier waar de documenten lagen, een nette stapel op het grote geordende bureaublad; een stapel papieren die ze zelf zo zorgvuldig had samengesteld. Ze onderdrukte een snik, leunde tegen de Britse boekenkast, griste opa’s vulpen mee en wierp zich voor hem op de grond. ‘Hier, opa.’ Opa liep paars aan, leek te stikken, maar met woedende wilskracht greep hij de pen vast en parafeerde keurig zes pagina’s op de ongelijke tegelvloer. De laatste pagina kostte hem al zijn kracht maar ook daar wist hij zijn sierlijke en kenmerkende krabbel netjes te plaatsen. Sabrina zat ademloos met bevroren ogen naast hem op haar knieën en keek lijdzaam toe hoe haar opa de dop weer op de pen deed. Het was het laatste wat hij deed.
De pen viel uit zijn hand en rolde zijwaarts naar de plint. Sabrina hoorde hoe de oude Engelse opwind-klok elf keer begon te slaan toen haar opa’s bovenlichaam zwaar op de tegels neer kwam. Ze kon niets doen. Zijn dood was een harmonisch huzarenstukje van ironie waarin zijn lichaam het op gaf en hij met zijn borst op de tegels viel, een laatste hese toon uitstotend samen met zijn allerlaatste adem. Zo puur, zo klein, zo’n groots moment. Het was voorbij. Leven en dood; een zucht, een seizoen, een leven.
Nog even keek hij over de tegels heen, maar het beeld vertroebelde. Zelfs kijken kostte hem immens veel kracht. De tegels leken zachter te worden, natter, haast prettig aan zijn gezicht, zo heerlijk zacht. De koude modder zoog hem naar beneden, de wortels groeiden over hem heen, grepen sierlijk naar zijn ledematen, omklemden hen met liefde. Het was niet eenzaam, het was goed. Toen verdween alles; en toen was daar die stem: ik zag jou. Ik zag hoe je orde probeerde te maken, nog steeds! Orde in de ziekelijke chaos, een chaos die altijd maar als eeuwig onkruid om de mensen heen lijkt te woeden. Ik zag hoe jij altijd dacht aan hoe het hoorde en wat er van je verwacht werd. Ik wist als geen ander hoe jij je kon vastklampen aan een theorie, omdat het soms alles was wat je had. Maar stil maar, kind; ik was altijd bij je, ook toen je viel en zeker toen je weer opstond. Ik was er toen jouw ambitie evolueerde, verwaterde en verzandde, om dan plotseling, in de droogte van de Kalahari, toch ergens vruchtbare grond te vinden. Aarde. daar, in het onmogelijke, wist je die grond te beroeren met een druppel vocht die van het kristal van jouw kern rolde en viel, niet zomaar op de grond, nee; in een kruik, een kruik die je altijd al in je hart droeg. Een kruik waar de hoop in woonde.
Daarom gaf ik, de schepper, je de kruik. Soms een visie, soms een herinnering. Niets tastbaars…. Was het intuïtie? De modder leek warmer te worden, voelde je het? Of was het andersom? Voel het dan toch, daar was het! Voel de bevestiging van je eigen theorie, want je mocht het eindelijk ervaren: wanneer je één was geworden met de modder was je deel van alles.